Geschiedenis

Het Witte Gat van Antriol

De politiewacht bij Buraku Blanku.

Door Boi Antoin

Vertaling: Harald Linkels

In de buurt Antriol zijn er diverse wijken, die van oudsher hun eigen naam hebben. Gedacht kan hier worden aan wijken als Den Stashi, Den Kadushi, Den Yatu en Den Kombento. Eén van de meest bekende wijken was een wijk die werd aangeduid als ‘Buraku Blanku’ (het Witte Gat).

Buraku Blanku had toentertijd een eigen politiebureau. Later werd dit gebouw een consultatiebureau voor moeders die net een baby hadden gekregen.

Buraku Blanku ontleende zijn naam aan een gat waaruit wit zand werd gewonnen; een soort klei. De klei werd gebruikt om de geplaveide plaggenhutten te bouwen, de zogenaamde ‘kas di bara’. Dit type huis was aan het begin van de 20ste eeuw de meest voorkomende huizensoort in Antriol. Vanaf 1900 zag men langzamerhand meer stenen huizen verschijnen.

Vanaf 1930 werden huizen in toenemende mate van beton en betonblokken gebouwd. Het eerste cement bereikte Bonaire halverwege de jaren twintig van de vorige eeuw. In die tijd was het nog gebruikelijk dat mensen in opengewerkte kerosineblikken het zand haalden bij Buraku Blanku. Vooral de vrouwen vervoerden de blikken met zand bij voorkeur op hun hoofd. Daartoe vouwden ze een lap, genaamd ‘rudia’ (knie) die ze op hun hoofd legden. Daarop kwam dan het blik met zand te rusten. De naam ‘rudia’ ontleende de opgevouwen lap aan het feit dat deze op de knie gelegen werd samengevouwen.

Er waren nog andere plekken waar ook wit zand werd gewonnen, onder andere tegenover de huidige Progreso Supermarket aan de Kaya Korona. Later kreeg deze plek de naam Buraku di Yonchi, maar deze naam is nog niet zo lang in gebruik. Daarnaast was er nog een derde plek met dit witte zand, waar later het gebouw van de Credit Union Coromoto werd neergezet.

Vergunning

In die tijd had men nog geen vergunning nodig om een ‘kas di bara’ te bouwen. Wat je wel nodig had was een kapvergunning om het hout van de ‘Pal’i Mangel’ te mogen kappen. Dat hout werd in elkaar gevlochten om zo het geraamte van het huis op te trekken. Daar werd dan het witte zand, dat met toevoeging van water een soort modder werd, tegen de plaggenhutten aangegooid om ze zo te pleisteren en ze meer bestendig te maken tegen de elementen.

Buraku Blanku had overigens niet zo’n beste naam. De mannen, die doorgaans op zaterdag werden uitbetaald hadden de gewoonte zich daar vol te laten lopen met alcohol. Menig vechtpartij brak daarop uit. Er stond vlak bij de Buraku Blanku een winkel, de winkel van Cornelis (Nene) George. Daar werd zowel rum als jenever verkocht.

Dit gedeelte van Antriol stond dan ook bekend als ‘problematisch’. De betreffende mannen, die vaak werkten in de zoutpannen die eerst van Ernst Helmund en daarna van Herrera Hermanos en Los Roques waren, stonden bekend als niet afkerig van een stevige borrel. Er werd in die periode op de betreffende plaats ook muziek gemaakt met lege drums en op de klanken daarvan werd gedanst. Ook werd er wel gezongen, vooral tegen het einde van het jaar.

Er wordt in de overleveringen vaak verteld over een vrouw, Suzanna geheten, die in de buurt woonde en erg graag aanwezig was bij deze zang en dans. Vooral tegen het einde van het jaar was Suzanna daar veelvuldig te vinden. Ze hield zoveel van feesten, dat ze de bijnaam ‘Suzanna Parandera’ (Suzanna Feestneus) kreeg. Ze stond er onder meer om bekend dat ze drums onder haar rokken verstopte, in die gevallen dat meneer pastoor onverhoopt langskwam om het feestje te verstoren.

Chino

Suzanna was de dochter van een blinde man, die bekend stond als Chino. Chino kwam net als zijn dochter graag naar de muziek luisteren, hoewel hij het dansen niet kon zien. Op een van de vele avonden met de nodige activiteiten waren zowel Suzanna als Chino aanwezig. Opeens was er een geroep te horen: “de Pastoor, de Pastoor”. Iedereen maakte dat hij wegkwam, want door de pastoor wilde men op zo’n locatie niet worden gezien in die tijd.

Chino, die stekeblind was, kon zich echter niet zo snel uit de voeten maken. Wel hoorde hij de hoeven van het paard, waarop meneer pastoor zich verplaatste, dichterbij komen. Toen het al een tijdje stil was en hij niks meer hoorde, vroeg Chino aan zijn dochter: “En, is die hufter er al vandoor?” Helaas voor Chino was dat niet het geval. De pastoor gaf de arme Chino dan ook een flink pak slaag. Hierop rende Chino, blind als hij was, alsnog weg zo goed en zo kwaad als hij kon.

Volgens de overlevering waren al deze activiteiten, en bij tijden ook onlusten, de reden dat de overheid van die tijd besloot om een politiewacht neer te zetten bij Buraku Blanku. Olivier Booi, Wilmito Muller en een zekere ‘Yonchi’ waren namen van politieagenten die de wacht bemanden.

De politiewacht had geen eigen WC. Als de agenten hun behoefte moesten doen, moesten ze de weg oversteken, waar een houten huisje stond dat in die tijd werd aangehuid als ‘bèster’ of ‘bèstu’.

Zowel de agenten als de katholieke kerk deden hun best om het gedrum in de wijk te voorkomen. De kerk beschouwde dit type muziek niet alleen als immoreel, maar zelfs als ‘duivels’. De politie, op haar beurt, deed haar best om zoveel mogelijk van deze drums te confisqueren. Het drummen leidde bijna steevast wel tot gevechten en soms zelfs steekpartijen. Maar de mensen, vooral zij die vlak bij de politiewacht woonden, waren slim. Als de drums werden afgepakt, dan maakten ze de muziek door te ‘drummen’ op een tafel. Daar waar het spelen op een drum bij wet was verboden, was het drummen op een tafel dat niet.

De politiewacht van Buraku Blanku was overigens niet 24 uur per dag geopend, zodat de mensen in de buurt toch nog regelmatig de kans hadden om te feesten en muziek te maken, zoals zij graag deden. De families die in de buurt van Buraku Blanku woonden hadden achternamen als Isebia, Morillo, Thielman en Saragoza, namen die ook vandaag de dag nog veel in Antriol te vinden zijn.  

Deel dit artikel