Geschiedenis

De Werf- en Jachthaven: Van overheidsbezit naar Venezolaanse enclave

Het gebied van de toekomstig jachthaven, vóór aanvang van de verbeteringen
Een luchtfoto van de eerste opzet van een verbeterde jachthaven, naar schatting tussen begin en midden jaren 80. Links Hotel Bonaire (later Sunset Beach Hotel) en daar boven het studiogebouw van Trans World Radio en (naar links) de ‘Activity Building’ (nu Basisschool Pelikaan). Nog verder naar boven het gebouw van kledingfabriek Cambes. Foto: Archief Hubert Linkels

Door: Hubert Linkels

Bewerkt door: Harald Linkels

De huidige jachthaven, die van oudsher eigenlijk niet veel meer was dan een met modder dichtgeslibde inham, was jarenlang alleen toegankelijk voor kleinere vissersboten. Dat was geen probleem, want niemand dacht eraan met zijn zeiljacht in het modderige plasje voor anker te gaan. In de laatste 40 jaar van de vorige eeuw groeide de inham echter uit tot een echte jachthaven.

Het was in de laatste week van oktober 1969 dat de Nederlandse vice minister-president drs. J.A. Bakker bij zijn bezoek aan Bonaire, vrijwel onmiddellijk akkoord ging met de aanleg van een kleine jachthaven. Het idee om op een geringe afstand van slechts 5 kilometer van Kralendijk, ter hoogte van de Saliña di Vlijt, een natuurlijke inham te gebruiken voor de aanleg van een jachthaven, stamde trouwens al uit 1956. Gepraat werd er genoeg, maar zoals zo vaak gebeurde op Bonaire, werd er door verschillende omstandigheden niet erg vaak een concreet resultaat bereikt.

Aan de linkerzijde van de oever, nu volgebouwd, werd in het kader van het project een eerste scheepslift geïnstalleerd, die nauwelijks ooit dienst heeft gedaan. Op de witte landtong zal later het eerste gedeelte van het Harbour Village Beach resort verrijzen. Foto: Archief Fuhikibo.

Bakker ergerde zich juist aan de verschillende Bestuurscolleges die zich al te gemakkelijk neerlegden bij het feit dat alleen vissers gebruik maakten van de inham, terwijl een jachthaven nu juist een voordeel zou kunnen zijn voor de toeristische sector van Bonaire. De Nederlandse bewindsman vond dat Bonaireaanse bestuurscolleges zich wat al te gemakkelijk lieten leiden door Nederlandse ministers die een kijkje kwamen nemen op het rustige en eigenlijk ook nauwelijks actieve eiland. Bakker wenste onder geen voorwaarde genoegen te nemen met wat hij noemde de ‘lakse houding’ inzake de jachthaven van het toenmalige PDB bestuurscollege dat in die dagen gevormd werd door gezaghebber Elias Morkos en de gedeputeerden Rudi Ellis en Raymundo Saleh.

Maar Bakker beschikte in eerste instantie niet over de juiste informatie, want het Bestuurscollege had -vreemd genoeg- in tegenstelling tot de Antilliaanse minister van Welvaartszorg Bikker helemaal geen zeggenschap over de jachthaven. Bakker eiste daarop dat de Regering van de Nederlandse Antillen de zaak onmiddellijk zou aanpakken, terwijl hij tegelijkertijd toestemming gaf om stante pede met de baggerwerkzaamheden te beginnen. Op kosten van Nederland, wel te verstaan.

Nederlands geld

De werkzaamheden gingen van start en in de maanden maart en april 1970 werd de modderpoel uitgebaggerd. Dat ging trouwens niet zo voorspoedig als minister Bakker had gedacht, want ondanks zijn eigen voortvarendheid besloot de Nederlandse regering toch pas in 1972 om het ontwikkelingsproject ‘Jachthaven Bonaire’ in het kader van het Meerjarenplan te financieren.

Vóór aanvang van de meer ingrijpende werkzaamheden was de jachthaven nog grotendeels een modderige plas. Merk op dat op de berg de wijk Republiek en Santa Barbara nog niet gebouwd zijn. Foto: Archief Fuhikibo.

De uitvoering zou een bedrag vergen van 814.500 Antilliaanse guldens, hetgeen toen het equivalent was aan 1,6 miljoen Nederlandse guldens. Eindelijk kon de opdracht gegeven worden voor het opmaken van de projectstukken. In feite waren die alreeds in 1973 goedgekeurd, samen met de totale investering van 900.000 Antilliaanse en omgerekend 1,8 miljoen Nederlandse guldens.

Belangrijk was dat het bedrag werd geschonken en voor de Nederlandse regering dus niet als een lening gold. In 1975 begonnen de werkzaamheden aan de jachthaven. Het lag in de bedoelding dat er steigers met 120 aanlegplaatsen zouden worden gebouwd en tevens een kleine scheepswerf voor reparatie en onderhoud en ook een clubgebouw. De kleine werf was vooral belangrijk voor het project, want de vele zeezeilers en het grote aantal zeewaardige zeiljachten dat geregistreerd stond in Venezuela, zou de kleine jachtwerf en de jachthaven economisch op de been kunnen houden.

Rocargo

Verantwoordelijkheid

Het enige probleem waar Bonaire mee werd geconfronteerd was vreemd genoeg de vraag wie nu eigenlijk de verantwoordelijkheid zou dragen voor de jachthaven en wie het management zou voeren. Een voor de hand liggende vraag, waarop eigenlijk geen eenvoudig antwoord gegeven kon worden. De eigenaar van de jachthaven was immers de Centrale Regering en dat gold in die tijd niet bepaald als een geruststelling.

Vers in het geheugen lag nog dat de Centrale Regering ook de grootste aandeelhouder was geweest van het Koel- en Vrieshuis. Bovendien was de regering geruime tijd voor 50 procent aandeelhouder van het toenmalige Hotel Bonaire. Beide projecten waren nou niet bepaald het toonbeeld van een goed beleid. Omdat het beheren van een jachthaven en het exploiteren van een hotel toch ook niet de geëigende taken waren voor een overheid, leek het logisch dat de regering nu een partner zocht in de particuliere sector. Die partner zou dan samen met de Landsregering de verantwoordelijkheid voor de nieuwe jachthaven kunnen dragen.

In de loop der jaren zijn verschillende verbeteringen doorgevoerd in de originele opzet. Foto: Archief Hubert Linkels

Besloten werd een Naamloze Vennootschap op te richten onder de naam Bonaire Werf- en Jachthaven N.V. Het werd een joint-venture van de rechtspersoon de Nederlandse Antillen en het bedrijf ‘Combined Entities’ van de op Curaçao wonende Nico Blok. Deze laatste werd aangetrokken als managing director. Het eilandgebied Bonaire –hoe vreemd het ook mag klinken– had geen enkele inbreng in het geheel. Het eiland was in deze geheel afhankelijk van de regering op Curaçao. Het enige dat het BC wél mocht, was het voordragen van een commissaris voor de jachthaven. In 1981 werd de jurist mr. Eugène Abdul, die werkzaam was bij de BOPEC, daarvoor voorgedragen en benoemd.

Managing director Nico Blok had zo zijn eigen ideeën over de vorm van de nieuwe jachthaven. Die ideeën waren gebaseerd op een studie die in 1969 was gemaakt door het adviesbureau Kampman. De bedoeling was het exploreren van de Venezolaanse markt, waar een kleine 200 jachten geregistreerd stonden. Het project leek aantrekkelijk en er werd ruim 3,6 miljoen gulden geïnvesteerd, waarvan 950.000 gulden aan aandelenkapitaal van de regering en Combined Entities. Het eilandgebied Bonaire verleende erfpacht. De gelden daarvoor, zou later blijken, werden overigens nooit geïnd.

Carlos Sansoni

Onduidelijker werd de situatie toen de in Venezuela wonende Italiaan Carlos Sansoni ineens belangstelling kreeg voor de jachthaven. Sansoni was naar Bonaire gekomen om met zijn bedrijf Fundeos C.A. kanalen te graven voor het Flamingo Paradise project. Zoals bekend ging Flamingo Paradise failliet en voor Sansoni was er geen werk meer.

De werkzaamheden liepen niet altijd van een leien dakje. Foto: Archief Hubert Linkels

Hij verkocht zijn materiaal aan de Stichting FOMAG en begaf zich op het terrein van het watertoerisme waarvoor hij de Bonaire Yacht Harbour Corportion (BYHC) oprichtte. Het bedrijf stond overigens los van de Bonaire Werf- en Jachthaven. Sansoni opteerde vervolgens voor enkele percelen op het terrein van de jachthaven en uiteraard ook voor de erfpacht die daar bij behoorde. Het waren perceel 833 en perceel 784 ter grootte van 18.000 vierkante meter en die stonden nu op naam van de BYHC. Sansoni legde voor de percelen een bedrag van 725.000 gulden op tafel. Het feit dat de managing director Nico Blok van de Bonaire Werf- en Jachthaven ook mededirecteur bleek te zijn van de Bonaire Yacht Harbour Corporation maakte de zaak er niet doorzichtiger op.

De Algemene Rekenkamer van de Nederlandse Antillen (ARNA) toonde zich kritisch over de verrichte handelingen en de gekozen opzet. Dat had vooral te maken met het feit dat Blok directeur was van de beide bedrijven, de Bonaire Werf- en Jachthaven en de Bonaire Yacht Harbour Corporation. Sansoni had inmiddels ook de Silver Yacht Club (SYC) opgericht. De club huurde van de Bonaire Werf- en Jachthaven de gebouwen en steigers waaraan de aangemeerde boten lagen. Sansoni zelf huisde in het kantoor van de Bonaire Yacht Harbour Corporation, de Silver Yacht Club en de eerder gestichte Anchor Club, die alle op het terrein van de Bonaireaanse Werf- en Jachthaven gevestigd waren. Sansoni evenwel ontkende altijd dat er enig verband bestond tussen zijn Bonaire Yacht Harbour Corporation –legaal via de notaris opgericht– en de Bonaireaanse Werf- en Jachthaven.

Bestuurswisseling

Toen in 1983 de Union Patriòtiko Boneriano van partijleider Rudi Ellis de verkiezing verloor kreeg Partido Demokrátiko Boneriano (PDB) bestuursverantwoordelijkheid. Onmiddellijk eiste partijleider Jopie Abraham, als algemeen adviseur van het Bestuurscollege, dat er op korte termijn duidelijkheid kwam over de naar zijn mening dat twijfelachtige onderhandelingen die waren gevoerd over de jachthaven. Abrahams bezorgdheid werd vooral ingegeven door het feit dat de centrale regering eigenaar was van een jachthaven, terwijl juist de jachthaven voor Bonaire wegens de economische en toeristische ontwikkeling naar zijn mening van eminent belang was. De Staten gaven Bonaire de gelegenheid om in de archieven te duiken en daarmee licht te brengen in een duistere zaak.

Tot 1988 gebeurde er evenwel weinig en de jachthaven raakte in ernstig verval. Het vertrek naar Italië van Carlos Sansoni bleek een reden te zijn voor de UPB om een raadsvergadering aan te vragen. Tijdens vergadering werd door de Forsa Nobo, de coalitie van de UPB en de Partido Obrero Boneriano (POB), een motie ingediend met de wens dat de jachthaven spoedig aan het eilandgebied Bonaire zou worden overgedragen. De motie van de UPB over de jachthaven werd, in tegenstelling tot de mores onder de politici op Bonaire, met algemene stemmen in de eilandsraad aangenomen en besloten werd de centrale regering te vragen de jachthaven over te dragen aan het eilandgebied. In dat geval kon Bonaire dan zelf de jachthaven beheren of in handen te geven van een particuliere onderneming.

Harbour Village

Kort na de overdracht aan het eilandgebied ontving een Boneriaanse delegatie een uitnodiging van  Frederico Gonzales, eigenaar van het Harbour Village Resort. De delegatie bestond uit gezaghebber George Soliana, gedeputeerde van Toerisme Ramonsito Booi en partijleider van de UPB Rudi Ellis. De delegatie werd, zoals in die kringen gebruikelijk, met overdreven egards in het particuliere vliegtuig van Gonzales naar Monroy in Caracas overgevlogen om de antecedenten na te trekken van hun gastheer Frederico Gonzales, tevens eigenaar van Tecnoconsult International. Uiteraard waren de antecedenten uitstekend.

Het was overigens wel de PDB die de eerste contacten met Gonzales legd. Ook de gedeputeerden van de PDB Franklin Crestian en Ernesto Melaan kenden het interieur van de privéjet van Gonzales voor een absoluut onnodig snoepreisje naar Venezuela. De contacten tussen Gonzales en de PDB’ers gingen echter niet over de jachthaven maar over de bouw van een hotel. Dat contact werd pas in 1990 gelegd toen Gonzales aan de UPB uitleg gaf over zijn plannen.

Het eilandgebied besloot, onder het bestuur van de UPB in 1989 aan de Venezolaanse hotelbouwer en investeerder Frederico Gonzales van het bedrijf Tecnoconsult voor het tijdperk van 20 jaar vrijwel alle erfpachtrechten te verlenen rond de jachthaven, waaronder het Harbour Village Beach Resort, Harbour Village Marina en Harbour Village Yachtclub vielen. De plannen van Tecnoconsult waren zeer ambitieus. Al gauw kwamen plannen op tafel om de gehele Saliña di Vlijt vanaf de Kaya Gobernador Debrot tot aan de Kaya Korona droog te leggen.

De toenmalig partijleider van de UPB, Rudi ‘Ruman’ Ellis, beweerde dat het de PDB was geweest die het aantrekken van jachten en de uitbreiding van de jachthaven in de handen hadden gegeven van Gonzales en zijn Tecnoconsult International.

De bewering van Ellis stond op gespannen voet met een brief van het bestuurscollege gearchiveerd onder nummer 3322 en gedateerd op 17 juni 1993. Uit de brief bleek namelijk dat de toenmalige waarnemend gezaghebber Henri Toré van de UPB aan de minister van Financiën liet weten dat ‘onzerzijds geen bezwaren bestaan tegen een eventuele op korte termijn privatisering van de Bonaire Werf- en Jachthaven N.V.’

Enclave

De jachthaven was inmiddels omgedoopt tot het voor de Venezolanen beter in het gehoor liggende ‘Marina’. In een vergadering van de eilandsraad op 16 juli 2003 zei toenmalig gedeputeerde Burney Elhage dat het 13 jaar daarvoor begonnen proces om de Saliña di Vlijt in erfpacht over te dragen aan het Harbour Village Resort nu ‘eindelijk’ was geregeld. Dat werd trouwens wel tijd ook, want tussen de presentatie van het project en de mogelijke uitvoering van het project lag toen al meer dan 16 jaar.

Van de oorpronkelijke, relatief simpele maar wel toegangelijke opzet is, inmiddels niet veel meer te zien. Foto: Harald Linkels

De Nederlandse regering financierde voor het welzijn van de Bonaireaanse bevolking 3,6 miljoen gulden voor een jachthaven, betaald met geld van de Nederlandse belastingbetaler. De jachthaven en de erfpacht werden echter uiteindelijk en tot de dag van vandaag een door Frederico Gonzales zelf uitgeroepen Venezolaanse enclave, onder het zeer welwillend toeziend oog van de Bonaireaanse bestuurders.

Deel dit artikel